• De succesfactor van een optimale training; wendingen rijden

    In het artikel ‘De succesfactor voor het inzetten van een perfecte oefening’ heb je kunnen lezen dat het rijden van wendingen een grote bijdrage levert aan een goed ingezette oefening.

    Een wending geeft ‘rek’ en ‘elasticiteit’ in het lijf van je paard. Het zorgt voor stelling en lengtebuiging. Je paard krijgt er meer schoudervrijheid door, en leert zijn achterbeen onder de massa te plaatsen. Een wending is de meest eenvoudige manier om je paard aanleuning te laten aanbieden.

    Een wending bestaat uit vier stappen; voorbereiden, inzetten, doorrijden en uitrijden. Een perfect gereden wending rij je door teugel-, been- en gewichtshulpen alle drie correct te gebruiken.

  • Stap 1 – voorbereiden

    Bij de voorbereiding van een wending ‘check’ je een aantal dingen bij je paard.

    • Is je paard ‘aan het been’? Laat zijn binnenachterbeen nog een keer aantreden door je buitenbeen een keer extra te laten doorkomen.
    • Let je paard op? Maak hem attent door beide teugels een halve ophouding te geven.

    Als je op beide vragen ‘ja’ krijgt van je paard, dan weet je dat je zonder belemmeringen naar Stap 2 – ‘de inzet’ kunt gaan. 

    Een paard moet ook op beide teugels evenveel gewicht geven, en jou echt laten meeveren op zijn rug. Is het antwoord op deze check en de andere twee checks ‘nee’, dan kun je in een trainingssessie hiermee uitgebreid aan de slag gaan. In dit artikel over wendingen rijden laat ik dat achterwege.

  • Stap 2 – inzetten

    • Bepaal de lijn die je wilt rijden, hoe ver wil je je paard de wending in laten lopen? Tot waar heeft ‘ver de hoek in rijden’ nut voor het bereiken van je doel? (doel is: een goede voorbereiding voor je volgende oefening)
    • Om ervoor te zorgen dat je paard zijn binnenachterbeen gaat gebruiken om meer onder te treden en te gaan dragen, zal je iets op de binnenkant moeten gaan zitten. Je moet kaarsrecht blijven zitten, en mag dus geen ‘knikje’ in je heup hebben.
      Gewicht op de binnenkant hebben doe door je binnenheupknobbel iets naar voren te kantelen. Dus richting de binnenschouder van je paard. Hierdoor ontstaat er meer ruimte in je romp aan die kant, en zal het gewicht dus iets meer op de binnenkant komen.
    • Je binnenbeen onderhoudt stelling en lengtebuiging.
    • Je buitenteugel neem je wat meer op druk om buitenschouder te begrenzen, met je binnenteugel nodig je je paard uit voor de wending. Een veelgemaakte fout is het over de hals brengen van je binnenhand.(foto 1) Dit doen ruiters waarvan het paard niet ‘aan het binnenbeen’ is en er doorheen ‘valt’.
  • Stap 3 – doorrijden

    • Kijk waar je heen wilt, en draai niet alleen je hoofd, maar ook je romp vanaf ongeveer je navel mee de bocht door.
    • Je romp blijft kaarsrecht, in evenwicht. Je romp draait alleen in de lengteas.
    • Je schouders draai je mee. Voor je gevoel zal je binnenschouder dus wat terug liggen, en je buitenschouder wat verder naar voren. Stel je eens voor wat de schouders van je paard in een wending doen. Juist! Hetzelfde als die van jou!
      De schouders van je paard blijven dus evenwijdig aan jouw schouders. Als een paard de wending door loopt, zal hij met zijn buitenschouder wat verder naar voren reiken als met zijn binnenschouder.
    • Doordat je je schouders mee de bocht door draait zullen je armen, hand en teugel ook mee gaan met deze beweging. Het paard wordt als het ware aan de buitenzijde ‘langer’, en aan de binnenzijde spant hij zijn spieren aan en wordt de afstand tussen jouw hand en zijn mond wat korter. Hierdoor zal de druk op je buitenteugel toenemen en de druk op je binnenteugel afnemen. Je binnenteugel komt los van de hals, en de buitenteugel komt er strakker tegenaan.
    • Je paard is geen fiets. De bocht rij je dus niet door aan de binnen teugel te trekken.(foto 2) Zou je wel zo sturen alsof het een fiets is, dan zal je ook genoegen moeten nemen met een paard wat (net als op de fiets) naar binnen hangt in de bocht. Dit is zeer ongewenst, en heeft totaal geen toegevoegde waarde aan je training.
    • Je zit op de binnenkant door je heupknobbel naar voren te duwen. Hierdoor zal het paard zijn binnenachterbeen onder de massa plaatsen en dus meer tot dragen komen.
      Draai je je buitenheup naar voren waardoor je op de buitenkant gaat zitten, dan zal je paard als het ware ‘vierkant’ de bocht door lopen, en dat is ongewenst. Je werkt dan met je eigen gewicht het vermeerderd dragen door het binnenachterbeen van je paard tegen.
    • Stel je nu het bekken van je paard eens voor in een wending; binnenheup is meer naar voren dan buitenheup. Dit is dus precies zoals jij je bekken nu gesteld hebt!
    • Op het moment dat je je binnenheup naar voren duwt, gaat automatisch je buitenbeen een stukje naar achteren. Niet alleen je onderbeen, maar vanaf je billen.
    • Dit buitenbeen is je begrenzende been, die je begrenzende buitenteugel ondersteunt. Het zorgt ervoor dat je paard niet over de buitenschouder wegvalt, en hij zijn achterhand niet uitzwaait. Ook kun je met je buitenbeen het achterbeen van je paard motiveren.
  • Stap 4 – uitrijden

    Het uitrijden van een wending kun je op veel verschillende manieren doen. Bijvoorbeeld door het inzetten van schouder binnenwaarts, een gebroken lijn of een ander figuur. In dit artikel beperk ik me tot het rechtstellen van het paard op een rechte lijn.

    • Je draait je schouders weer recht.
    • Je gewicht verdeel je gelijk over beide zitbeenknobbels.
    • Je been leg je weer terug op de plek.
    • Om je paard te helpen rechtstellen na een wending neem je wat meer druk op je buitenbeugel.
    • Je duwt op de buitenbeugel met je voet door je knie wat te laten zakken.

    Je paard heeft zoveel lengtebuiging in een wending als dat de wending van hem vraagt. Op een grote volte is dat dus een klein beetje, en op een volte van 8 meter is dat een behoorlijke buiging. Hoe kleiner de volte, hoe moeilijker. Wil je trainingseffect hebben van het rijden van wendingen, dan zal je je paard dus moeten uitdagen en moeten variëren in de grootte van de wending.

    Deze vier stappen doorloop je in alle drie de gangen. Dus zowel in stap, draf en galop, kijk je de bocht door, draai je je schouders mee, en duw je je binnenheup naar voren.
    Kortom: Eén van de beste technieken voor een succesvolle training of proef is het rijden van perfecte wendingen.(foto 3)  Dit doe je door je schouders evenwijdig te houden aan de schouders van je paard, en je bekken evenwijdig te houden aan het bekken van je paard. Je wending moet je voorbereiden, inzetten, doorrijden en uitrijden.