• Een deuk voor de schoft en een knik in de hals; rijden met echte en valse nageeflijkheid en aanleuning.

    „De aanleuning en losgelatenheid in schoft en schoudergebied, daar gaan we aan werken.” Dacht ik toen Vanessa bij het eerst bij me kwam trainen deze week.

  • Leuk paard, fanatieke leergierige ruiter. Wel zonde van de aanleuning en de nageeflijkheid. Losse en beweeglijke hals, fijn mondje, maar toch een flinke deuk in de hals net voor de schoft. En als vanzelfsprekend dus ook bovenaan de hals, bij de nek, een knik. Zo een die mooi lijkt, maar waar je niets aan hebt tijdens het rijden. Dit soort paarden zijn vaak vlugge paarden die nog wel eens snel weg kunnen springen. Ze zijn braaf, tot op zekere hoogte, en heel alert, op alles. 

  • Deuk voor de schoft en knik in de nek.

    Op het eerste gezicht lijkt dit een paard wat gewoon een wat arm bespierde hals heeft. Een soort zwanenhals. Ook lijkt hij heel lekker los in de mond en hals, omdat je vaak met weinig tot geen teugeldruk af kan.

    Vanessa is niet de enige met dit probleem, en je boft, want zij (en ik) wil graag met je delen tegen welke problemen je aanloopt, hoe zo’n houding in de hals ontstaat, en hoe dit in heel korte tijd goed op te lossen is. Ter aanvulling van dit artikel heeft Vanessa een aantal filmpjes beschikbaar gesteld, die ik tot 1 video heb gemaakt.

  • Problemen in de aanleuning en nageeflijkheid

    Bij een paard die zijn hals vormt zoals dit paard zal je tegen een of meerdere van de de volgende problemen aanlopen.

    • Bit niet aannemen
      Je paard heeft altijd een vrij losse teugeldruk. Zodra je een ophouding maakt reageert je paard direct door zijn hals nog meer in te trekken. Je teugels hangen meestal in een boogje, je kan geen contact maken met de mond van je paard. 
    • Niet willen/kunnen halsstrekken
      Zodra je gaat halsstrekken blijft je paard enigszins lopen in de houding die hij de hele tijd al liep. Hij volgt je hand niet mee naar beneden en voren, maar blijft met een kort nekje vrij bovenin lopen. Dit is met name aan het begin van je training.
    • Niet tot dragen komen vanuit het achterbeen
      Omdat je paard erg los en beweeglijk is aan de voorkant van de hals, net achter de oren, en juist heel strak is in het schoft en schoudergebied, kan de energie en lossigheid die het achterbeen misschien best wel heeft, niet doorgegeven worden naar voren. Je paard kan dus helemaal niet tot dragen komen. De voorhand en achterhand staan als het ware niet met elkaar in verbinding door dat die strakke schouder en schoft ertussen zit. 
    • Geen echte schoudervrijheid en geen losse rug
      Ongeacht of je paard grote of kleine passen neemt van nature, er is geen sprake van schoudervrijheid doordat het schoft- en schoudergebied erg strak is. Het uitstrekken van de gangen, en zelf een normale arbeidsdraf of arbeidsgalop zal aanzienlijk vooruit gaan als je het probleem oplost. Je paard zal ook een stuk lekkerder gaan zitten en meeveren op het moment dat schoft, rug en lendenen op de juiste manier aan- en ontspannen.
    • Niet aan de beenhulp (let op, dit is dus iets anders als ‚niet door willen lopen’!)
      Het voornaamste probleem is dat deze paarden niet correct op de beenhulp reageren. Meestal lopen dit soort paarden prima door. Het gevaar daarbij is, is dat je er een beetje afblijft met je been. Ze kunnen er namelijk behoorlijk extreem op reageren, naar voren schieten, oren in de nek en hals opkrullen of soms erop terugkomen. Aangezien je paard vaak prima doorloopt, op een fijn tempo heb je de ‚afspraak’ met je paard „Ik kom niet aan jou, kom jij niet aan mij”. En dan ben je feitelijk niet meer je paard aan het opleiden en trainen, maar lekker een rondje mee aan het rijden op zijn rug. 
  • Los eerst een probleem op, voordat je verder gaat met iets moeilijkers in je training.

    Tijd om die deuk voor de schoft en knik in de hals aan te pakken dus. 

    Spreek met jezelf af dat je dit ene probleem aan gaat pakken, en dat je je niet laat verleiden even snel iets anders te doen in je training. „Als ik een tijdje rij gaat het beter, dus doe ik het later in mijn training” is een waardeloos argument. Dit moet je direct vanaf de eerste pas in je training meenemen om het goed te kunnen oplossen. Zolang dit nog niet goed is, ga je nog niet verder met iets anders. 

  • Het oplossen van een probleem in de aanleuning

    Als eerste zal je de ‚deuk’ eruit moeten laten vallen. Bijna letterlijk. Dit doe je namelijk door zoveel als mogelijk halslengte aan te bieden, en hoofd en hals als het ware te laten vallen vanaf de schoft.  

    Neusje van je paard moet als het even kan voor de loodlijn zijn en de hals moet lager komen dan de schoft, pas dan is de deuk voor de schoft weg.

    Het kan best dat je paard een beetje gaat treuzelen. Twijfelen wat je nou precies van hem wilt. Hij is tenslotte gewend dat je de teugel aanneemt, hij zijn houding aanneemt, en dat jullie dat lekker gaan rijden. Het treuzelen is het moment dat je beenhulp in beeld komt. Dit is je kans om met je kuit naar je hand toe te rijden. De energie die je beenhulp van achter opwekt, zal door moeten vloeien via de lendenpartij, de rug en schoft door de hals en nek en via de mond van je paard weer terug in je hand als die licht verende verbinding, de aanleuning. 

    Het kan best even duren voordat je paard dit spelletje door heeft. Waarschijnlijk zal hij in het begin helemaal niet zijn hals verder laten vallen en je hand zelf opzoeken als jij je been aanlegt en je hand naar voren steekt. Maar als je dit echt super consequent doet, dan zal je zien dat je binnen 1 uur een paard kan rijden die geen deuk meer heeft voor de schoft. Het zal een mooie vloeiende lijn zijn vanaf de schoft over de bovenlijn van de hals die mooi gevormd is. 

    Pas als je die aanleuning en nageeflijkheid hebt in die lage lange lijn, kun je je paard weer voorzichtig oppakken. Tik je paard aan met je kuit, blijf niet plakken met je been. Hierdoor treed zijn achterbeen verder onder en komt zijn hoofd omhoog. Het begin van ‚bergop rijden’ 

  • Schakelen, tempowisselingen en overgangen

    Het schakelen van je paard, tempowisselingen en overgangen, helpt enorm hierbij. Juist bij het schakelen zal je paard zijn bekken wat kantelen, en het achterbeen verder en actiever ondertreden. Je krijgt hem zo werkelijk ‚over de rug’, en de verende verbinding via de bovenlijn van je paard zal je terug voelen in je hand. Gefeliciteerd, je zit nu tegen echte aanleuning aan!

    Kortom; een paard met een valse nageeflijkheid en aanleuning kan een deuk voor de schoft en knik in de hals hebben. Dit geeft heel veel problemen, ook op langere termijn. Door echt consequent vanuit je been naar je hand toe te rijden, waardoor je de losgelatenheid in het middenstuk van je paard bevorderd, kun je dit snel en doeltreffend oplossen.

  • Deel de inspiratie via social media en mijn blog via onderstaande links!

    ©Hester Bransen, Ruitergevoel 2014

    Dit artikel mag je gebruiken voor tijdschriften en websites...

    ....en het kost niets! Het enige dat ik je vraag is om de volgende tekst toe te voegen aan het artikel (met een werkende link naar mijn website): "Door Hester Bransen van Ruitergevoel. Meer ruitergevoeltips zijn te vinden in het E-book ‘De vier elementen van een correcte houding en zit', dat je gratis kan aanvragen op www.ruitergevoel.com "

  • 5 comments

    Wat fijn uitgelegd!!

    Reply

    Ik herken dit heel erg maar nu wil mijn paard niet meer voorwaarts of gaat rennen, maar ik hou gewoon vol en blijf doorgaan in de basis. In het begin liep ze in dr eigen krulletje en nu gaat ze het liefst als duikbootje rond en wordt daarbij erg traag voor het been. 😁

    Reply

    super uitleg ik herken dit en ga hier nu ook zeker mee aan het werk!

    Reply

    Wauw super fijn uitgelegd!

    Reply

    Heel helder en fijn verteld!!

    Reply